Begin met één bruikbare zin

Ik woon in … En jij?

Een begin voor een kort gesprek.

Vul je eigen stad of gemeente in en geef de ander daarna tijd om te antwoorden.

Je kent enkele Nederlandse woorden, maar weet nog niet hoe je ze samen gebruikt. Begin met een korte voorstelling over je leven en werk. Je kunt dezelfde zinnen daarna met andere informatie gebruiken.

Bereid je voorstelling voor

Ik ben … / Ik heet …

Met deze zinnen vertel je je naam. Bijvoorbeeld: ‘Ik ben Nadia’ of ‘Ik heet Nadia’. Kies eerst één vorm.

Ik woon in …

Vertel in welke stad je woont. Bijvoorbeeld: ‘Ik woon in Brussel.’ Vervang Brussel door jouw woonplaats.

Ik werk als …

Vertel wat je doet. Bijvoorbeeld: ‘Ik werk als administratief medewerker.’ Wil je over je studie praten? ‘Ik studeer marketing.’ Je mag de zin over werk weglaten als die niet bij je past.

Ik leer Nederlands omdat …

Leg uit waarom je Nederlands leert. Bijvoorbeeld: ‘Ik leer Nederlands omdat ik met mijn collega’s wil praten.’ Leer dit eerst als een volledig model dat je kunt gebruiken.

Een eerste houvast voor de woordvolgorde

In een eenvoudige mededelende zin staat de vervoegde werkwoordsvorm op de tweede plaats: ‘Ik werk vandaag thuis.’ Begin je met vandaag, dan wordt het: ‘Vandaag werk ik thuis.’ Die tweede plaats gaat over een zinsdeel, niet altijd over het tweede losse woord.

Vragen en zinnen met omdat hebben andere patronen. Oefen eerst de voorbeelden die je nodig hebt en verander daarna een detail. Woord voor woord vertalen uit een andere taal geeft niet altijd de juiste volgorde.

Een oefening van drie minuten

1. Vul aan: ‘Ik ___ in Brussel.’ Je wilt zeggen dat Brussel je woonplaats is.

2. Zet deze woorden in de juiste volgorde en begin met Vandaag: thuis / ik / werk / Vandaag.

3. Vul je voorstelling aan: ‘Ik ben … Ik woon in … Ik werk als … Ik leer Nederlands omdat …’

Lees je voorstelling hardop. Probeer daarna opnieuw met alleen drie kernwoorden. Je hoeft geen lange tekst uit het hoofd te leren.

Controleer je antwoorden

1. Ik woon in Brussel. 2. Vandaag werk ik thuis. 3. Er zijn verschillende antwoorden mogelijk. Pas de zinnen aan je leven aan en laat weg wat je niet nodig hebt.

Drie patronen om op te letten

Een mededeling en de vraag erbij

Vergelijk ‘Je werkt in Brussel’ met ‘Werk je in Brussel?’ Leer de vraag en het antwoord samen. Als je in deze vraag achter het werkwoord staat, schrijf je werk zonder t.

Bewaar bruikbare zinnen samen

‘Ik ben 28 jaar’ is een volledig model waarin je de leeftijd kunt veranderen. Doe hetzelfde met ‘Ik begin om negen uur’ en ‘Ik werk vandaag thuis’. Een kleine verzameling bruikbare boodschappen helpt je meer dan woorden die je nog niet kunt combineren.

Een extra werkwoord verandert het patroon

Vergelijk ‘Ik praat met mijn collega’s’ met ‘Ik wil met mijn collega’s praten’. In ‘omdat ik met mijn collega’s wil praten’ staan de werkwoorden achteraan in dat deel van de zin. Oefen eerst het volledige model voor je er meer regels bij neemt.

Geef de ander ruimte om te antwoorden

Bereid na je voorstelling een vraag voor: ‘Ik woon in Brussel. En jij?’ Je kunt ook vragen: ‘Waar woon je?’ Voor werk: ‘Wat doe je voor werk?’ Heb je tijd nodig? Zeg ‘Even denken’. Is de reactie te snel? ‘Kun je wat trager spreken, alsjeblieft?’

Kies één vraag die bij het moment past en luister naar het antwoord. Een gesprek hoeft niet alle zinnen uit je oefening te bevatten.

Opnieuw beginnen na een pauze?

Misschien hoef je niet alles opnieuw te leren. Probeer een kleine taak: jezelf voorstellen, je werk uitleggen of informatie vragen. Noteer wat je zonder hulp kunt zeggen en wat nog ontbreekt. Oefen dat deel en herhaal het gesprek met een ander detail.

Bouw vijf zinnen

1. Vertel dat je vandaag thuis werkt. Begin met Vandaag. 2. Zeg dat je met je collega’s wilt praten. 3. Vraag of iemand in Brussel werkt. 4. Zeg dat je niet alles begrepen hebt. 5. Vraag op een beleefde manier om herhaling.

Mogelijke antwoorden

1. Vandaag werk ik thuis. 2. Ik wil met mijn collega’s praten. 3. Werk je in Brussel? 4. Ik heb niet alles begrepen. 5. Kunt u dat herhalen? Bij de laatste zin kan ook: ‘Kunt u dat nog eens zeggen?’

Een kleine routine voor jouw week

Kies een situatie en schrijf drie zinnen. Zeg ze hardop, bedek de tekst en probeer opnieuw met drie kernwoorden. Verander een andere keer één detail. Oefen je met iemand? Vraag om een kort antwoord en achteraf één nuttige verbetering.

Bewaar een zin die je echt nodig had: een vraag op het werk, een verzoek in een winkel of een antwoord aan een buur. Dat geeft je volgende oefening een duidelijk doel.

En Vlaams?

Vlaams is een veelgebruikte naam voor het Nederlands dat in Vlaanderen wordt gesproken. In mijn lessen oefen je Nederlands met woorden, uitdrukkingen en uitspraak die je in België kunt tegenkomen.

Probeer een les. Vind jouw vertrekpunt.

Kies een moment voor een gratis proefles van 25 minuten. We proberen iets op jouw niveau en bespreken hoe je verder kunt.

Boek een gratis proefles · opent in een nieuw tabblad